Konijnenproject welzijn monitoring kinderboerderijen



SAMENVATTING

Het konijn (Oryctolagus cuniculus) staat op de derde plaats van meest gehouden huisdieren in Nederland (RDA 2006), maar onderzoek wijst op hoge ongeriefscores met betrekking tot het houden van konijnen als gezelschapsdier (Leenstra et al 2009, Haspels en Van Strien 2002, Caneel et al 2000, Schepers et al 2009). Naar het welzijn van konijnen op kinderboerderijen is geen specifiek onderzoek verricht, maar de conclusies uit bovenstaande onderzoeken en de educatieve functie van kinderboerderijen geven aanleiding tot een welzijnsrisicoinventarisatie op de kinderboerderij. Er is gewerkt aan een bruikbaar diergericht instrument om konijnenwelzijn op kinderboerderijen (intern en extern) te meten.

Aan de hand van een literatuuronderzoek zijn welzijnsrisico’s naar voren gekomen, die zijn ingedeeld in de vier welzijnsprincipes van Welfare Quality© (2009) (goede voeding, goede huisvesting, goede gezondheid en natuurlijk gedrag) (Blokhuis et al 2003) en zijn vervolgens verwerkt in een Hazard Analyses (HA). Vanuit de HA zijn vragen opgesteld en voorgelegd aan ervaringdeskundigen (d.w.z. medewerkers en beheerders van kinderboerderijen) door middel van een online enquête. Aan de hand van mondelinge interviews is de HA voorgelegd aan geselecteerde experts op het gebied van dieren, - en/of konijnenwelzijn. Met de informatie verkregen vanuit de literatuur, de online enquête en de interviews zijn de Critical Control Points (CCP’s) (de kritische punten op het gebied van konijnenwelzijn) vastgesteld. De CCP’s zijn omgezet in parameters die, door het gebruik van het daaruit ontwikkelde monitoringsprotocol, het meten van konijnenwelzijn in de praktijk mogelijk maakt. Voor de calculatiemethode (d.w.z. het berekenen van de welzijnsscore) is er een Excel bestand ontwikkeld welke de controleur de mogelijkheid geeft de geïnventariseerde data te verwerken en automatisch een eindscore voor konijnenwelzijn te verkrijgen.

Om te testen of het protocol meetbaar is, zijn er testdagen geweest op twee verschillende kinderboerderijen. De parameters zijn volgens de vastgestelde methode en volgorde uitgevoerd en waar nodig aangepast, een proces wat interne bruikbaarheidstest wordt genoemd.

Het conceptprotocol is vervolgens verzonden aan de ervaringdeskundigen en de dierenexperts voor controle op de bruikbaarheid van het protocol. De ervaringdeskundigen hebben daarbij de mogelijkheid gekregen om het protocol in de praktijk te testen en zo bij te dragen aan de implementatiemogelijkheden van het protocol. Dit proces kreeg de naam externe bruikbaarheidstest. De reacties tijdens de externe bruikbaarheidstest zijn indien mogelijk verwerkt in de eindversie van het protocol. Waar dit niet mogelijk was zijn de reacties verwerkt in de aanbevelingen, welke de basis vormen voor een eventuele revisie van het protocol.

De indeling op basis van welzijnsprincipes en welzijnscriteria heeft het mogelijk gemaakt een compleet overzicht te krijgen van welzijnsrisico’s. Goede voeding, hygiënische huisvesting en de mogelijkheid tot onderling contact vormen kernpunten voor konijnenwelzijn. Verder moet gelet worden op de hoeveelheid beschikbare ruimte, frequente controle van de konijnen en het verblijf en de interactie met bezoekers. Ook zijn graafmogelijkheden en schuilmogelijkheden cruciaal. Sommige welzijnsaspecten zijn vanwege de consensus gedreven inhoud van het protocol niet opgenomen. Het protocol zou anders afnemen in bruikbaarheid, omdat sommige welzijnsaspecten niet haalbaar/wenselijk bleken voor de kinderboerderijen. Vanuit de gekleurde (eind)scorelijst van het assessment zijn concrete verbeterpunten te achterhalen.

Het is aan te bevelen het protocol te herzien na uitvoerig testen op kinderboerderijen en in het licht van nieuwe wetenschappelijke kennis. Verder is het raadzaam voor ieder afzonderlijk dier op de kinderboerderij een diergericht monitoringsprotocol te ontwikkelen. Een combinatie hiervan kan leiden tot een algehele welzijnsscore van de kinderboerderij, welke een bijdrage kan leveren aan certificeringtrajecten.

Bron:

Van Hall Larenstein

Agora 1

8934 CJ Leeuwarden