ANATOMIE VAN HET GESLACHTSAPPARAAT EN ZIEKTES

Drs. F. Kleyn van Willigen Gezondheidsdienst Voor Dieren
Afd. Pelsdieren-, konijnen- en pluimveegezondheidszorg.

ANATOMIE VAN HET GESLACHTSAPPARAAT VAN DE VOEDSTER
In de embryonale fase ontwikkelt zich het geslachtsapparaat van de vrouwelijke foet rond de 21 ste dag van de dracht.
De geslachtsbepaling wordt gedirigeerd door de geslachtschromosomen. Een chromosoom bevat een stukje informatie voor de opbouw van het dier. Verschillende chromosomen zijn nodig om de opbouw van de foet en na de geboorte het dier op te bouwen van een eencellig stadium tot een volwaardig mannelijk of vrouwelijk dier.
Vrouwelijke zoogdieren hebben de XX geslachtschromosomen waardoor het vrouwelijk geslacht bepaald wordt.
De voedster behoort twee eierstokken, een linker en een rechter, te hebben die ovaal van vorm zijn en bij een volwassen dier 1 tot 1,5 cm groot kunnen zijn. In de eierstokken bevinden zich primaire, secundaire en tertiaire follikels.
Reeds in de ovaria van de ongeboren vrouwelijke foet zijn de primordiaal follikels aanwezig. Dit zijn de voorlopers van de reeds genoemde follikels. Volwassen dieren die een eisprong gehad hebben en drachtig zijn laten gele lichaampjes in de eierstokken zien. Ze zijn belangrijk om de dracht in gang te zetten en voort te zetten.
De eierstokken worden omgeven door een zakje dat de bursa ovaria wordt genoemd. Dit zakje is omgeven door veel vet en in dit zakje ligt de tuba met de fimbriae die de geovuleerde eicellen opvangen en de eicellen doorvoeren via het oviduct naar de uterus.

De bevruchting vindt meestal plaats in het oviduct. De beide oviducten komen een ieder uit in één baarmoeder hoorn. Het konijn bezit twee baarmoeders die opgebouwd zijn uit drie lagen weefsel, nl.
de buitenbekleding (perimetrium),
de cirkelvormige spierlaag (myometrium) en
de binnenbekleding (endometrium).
Via de baarmoederhals (cervix) gaan de beide baarmoederhoornen over in de vagina. Het bijzondere bij konijnen is dat iedere baanmoederhoorn een eigen baarmoederhals heeft. In de vagina monden de Bartolinische, de preputiaal klieren en de blaas uit. Op de bodem van de vagina ligt de clitorus.

Afwijkingen van het vrouwelijk geslachtsapparaat

Erfelijk Erfelijke afwijkingen
kunnen in elk onderdeel van het vrouwelijk geslachtsapparaat voorkomen.
Een of beiderzijds kunnen de eierstokken ontbreken.
Ook gedeelten van de eileiders en baarmoeder kunnen afwezig zijn. V
oedsters met deze afwijking hebben meestal te kleine tomen.
Niet vatbaar zijn van het geboren konijn is niet uitgesloten.

Ziekten en afwijkingen

Voedsters kunnen bij een te "zware "geboorte al dan niet in combinatie met te weinig calcium de baarmoeder buiten het lichaam werken. Er wordt ook wel gesproken over het "lijf eruit hebben".
De voedsters zijn meestal in shock. De enige behandeling is het amputeren van de baarmoeder of euthanaseren.

Door bacteriële infecties tijdens de dracht of tijdens het werpen kan baarmoederontsteking ontstaan.
De meest bekende bacterie is de Pasteurella Multocida. Sporadisch kunnen ook Staphylococces Aureus, Listeria monocytogenes Salmonella en Actinomyces pyogenes baarmoederontsteking veroorzaken .

Steriliteit van voedsters hoeft niet een erfelijke oorsprong te hebben. Veelvuldig heeft myxomatose de voedster tijdelijk onvruchtbaar gemaakt.
Incontinentie kan voorkomen bij beschadiging van de wervelkolom De dieren zijn nat en geel van achteren en stinken.
Bij de gesteriliseerde voedster komt incontinentie voor door het wegvallen van de hormonen. Soms is de vulva ontstoken.
Syfilis (treponema cuniculi) is herkenbaar aan roodverkleuring van de vulva, gevolgd door blaasjes en bruine korstjes door ingedroogd vocht. De wondjes zijn pijnlijk.

ANATOMIE VAN HET GESLACHTSAPPARAAT VAN DE RAM
De ram heeft twee ovaalvormige testikels die zich in het scrotum bevinden aan de achterzijde van het dier. Het scrotum staat in directe verbinding met de buikholte.
In de embryonale en foetale periode van het dier ontwikkelen zich de testikels in de buikholte waarna ze op een leeftijd van 2 maanden na de geboorte afdalen in het scrotum.
Omdat konijnen zich van nature seizoengebonden vermeerderen, heeft de ram de mogelijkheid de testikels buiten het bronst seizoen terug te trekken in de buikholte.
De geslachtschromosomen van de ram zijn XV.
De geslachtsbepaling bij de ram wordt gedirigeerd door het Y chromosoon. Dit chromosoom verhinderd de uitgroei van het vrouwelijk geslachtsapparaat.
Het mannelijk geslachtsapparaat begint op de 16e dag van de dracht onder invloed van de mannelijke hormonen te ontwikkelen. Deze mannelijk hormonen onderdrukken de ontwikkeling van het vrouwelijk geslachts apparaat.
Bij de ram zijn rudimentele gedeelten van het vrouwelijke geslachtsapparaat terug te vinden.
Na de geboorte ontwikkelt zich de testikel verder en de spermaproductie begint tussen de 40 en 50 dagen.
Op een leeftijd van 110 dagen kunnen de eerste vitale spermiën in het ejaculaat worden verwacht.
De productie van de zaadcellen is in de testikel.
De rijping van deze zaadcelen (± 60 dagen) gebeurd in de bijbal (epidydimus) die tegen de teelbal aanligt.
De bijbal is met een ligament verbonden aan het scrotum. In de bijbal wordt een onderscheid gemaakt tussen de kop (caput), het lichaam (corpus) en het achterste gedeelte (cauda).
Vanuit de bijbal worden tijdens de ejaculatie (uitstoting) de zaadcellen (spermiën) via de ductus deferens (zaad lijder) door contractie golven naar de penis getransporteerd.
De zaadleider is omgeven door bloed - en Iymphe vaten, die te samen de zaadstreng (funiculus spermaticus) vormen. Door de toevoeging van vocht uit de vesiculaire klier, de prostaat en de Cowperse klier wordt het sperma gevormd.
Het sperma wordt via de penis afgevoerd buiten het lichaam. De penis is schuin geplaatst en bevindt zich in het preputium (voorhuid).
Tijdens de paring wordt de penis buiten het lichaam gebracht. De penis is opgebouwd uit de glans penis en het corpus (lichaam). In de penis liggen de zwellichamen, die zich bij seksuele opwinding vullen waarna de penis buiten het lichaam van de ram komt. Door een spiertje aan de achterkant van de penis wordt de penis in het preputium en in het bekken op zijn plaats gehouden.

Erfelijk Afwijkingen aan het mannelijk geslachtsapparaat zijn over het algemeen aangeboren.
Rammen met een gespleten penis kunnen meestal wel dekken, maar dit moet ontraden worden omdat de afwijking erfelijk is. Het één of tweezijdig niet indalen van de testikels wordt één of tweezijdig cryptorchidie genoemd.
Bij een eenzijdige niet ingedaalde testikel kunnen de rammen (verminderd) vruchtbaar zijn.
Het niet aanwezig zijn van één of beide testikels komt heel zelden voor. Het erfelijk afwezig zijn van gedeelten van de zaadleider(s) geeft een minder fertiel tot een steriel ejaculaat.

Ziekten Ontstekingen en beschadiging van het preputium (voorhuid) belemmeren de dekking door pijn of door onvermogen de penis uit te schachten.
Syfilis geeft een pijnlijke pussige ontsteking van het preputium.
Myxomatose geeft een storing in de spermaproductie in de teeltbal (orchitis), waardoor het bevruchtend vermogen van de ram afneemt. De gevolgen zijn na ongeveer 60 dagen te merken.
Infecties van de teeltbal, bijbal en de zaadstreng (funiculus spermaticus), met de Pasteurella Multocida, kunnen door pijn een optimale dekking in de weg staan.

Het Konijn