Studiedag WRSA afdeling Nederland 2000 deel 2



EPIZOÖTISCHE ENTEROPATHlE / ENTEROCOLITIS / DIKKE BUIKENZIEKTE

Centrum voor Onderzoek in Diergeneeskunde en Agrochemie, Ukkel,België Departement Kleinveepathologie

Dr . Dominique Vandekerchove

Op het einde van 1996 verscheen een epizoÖtische spijsverteringsziekte bij konijnen in Portugal, Spanje en Frankrijk. Tegen het einde van 1997 had deze zich over het grootste deel van Europa verspreid. Inmiddels zijn er ook meldingen van deze ziekte in Amerika, Afrika en Az. Tot op heden is de oorzaak van de ziekte niet bekend. Op basis van de symptomen spreekt men van "mucoiede enteropathie", "enterocolitis", of "dikke buikenziekte". In de literatuur terzake wordt steeds meer de omschrijving "Rabbit Epizootic Enteropathy" (REE) of ook "Epizootic Rabbit Enteropathy" (ERE) gebruikt.

De term "enteropathie" is meer geschikt als benaming voor het syndroom dan "enterocolitis", aangezien er bij experimentele reproductie van de ziekte in specific pathogen free (SPF) dieren geen ontstekingsletsels aan de darmen worden vastgesteld.

REE wordt gekarakteriseerd door acute sterfte, die kan oplopen tot30-80%, sufheid, verlies van eetlust, opzwellen van de buik, beperkte diarree en soms verlies van slijmproppen. Bij lijkschouwing ziet men gewoonlijk overvulling van de maagdarmtractus met vloeistof en gas, in sommige gevallen met heldere slijmproppen in d e dunne darm of de dikke darm. De inhoud van de blinde darm kan gedeeltelijk of volledig ingedroogd zijn. Soms wordt interstitiële longontsteking gezien, maar deze letsels zijn ook vastgesteld bij niet-geinfecteerde controledieren, dus het belang hiervan kan in vraag worden gesteld.

In tabellen 1 en 2 wordt een overzicht gegeven van de kengetallen van konijnenbedrijven in drie landen. Bron voor de Belgische cijfers de Landsbond­ voor Bedrijfspluimvee­ en Konijnenhouders, voor de Franse cijfers de Coopörative des Producteurs de Lapins, en voor Nederland zijn de cijfers afkomstig van Dr.Harry Arts. Deze cijfers geven een idee van de impact van REE op de konijnensector.

Kengetal België
1994 1995 1996 1997 1998 1999
Sterfte voor spenen 12, 5 12, 9 13, 2 14, 8 14,4 14 ,8
Sterfte na spenen 10,0 12, 7 12, 5 17,4 12,6 14, 3
Vleesprod /GAV (kg) 116,2 108, 6 111,3 102, 9 112, 3 109, 8
Prijs / kg levend (BEF) 65, 2 67,4 68, 2 70, 5 71, 3 69,4
Sterfte voedsters 56, 9 55, 3 67, 1 66,4 68, 3 65, 8
Vervang % voedsters 141, 7 144, 2 150, 2 144, 6 156, 2
Kosten medicatie 183 173 175 164 174 207

Frankrijk 1998 Nederland
Kengetal 1998
Natuurlijke Kunstmatige
dekking inseminatie
St erfte voor spenen 15, 7 11, 2 13, 9
Sterfte na spenen 15 ,6 12, 1 8, 1
Vleesprod / GAV (kg) 188,3 158,9 120,3
Prijs / kg levend (BEF) 67,9 69,3
Sterfte voedsters 51,6 45,9
Vervang % voedsters 122,0 127,4 160
Kosten medicatie 1639 1336
Kosten KI 0 478

Sinds het verschijnen van REE zijn verschillende theorieën rond de mogelijke oorzaak ervan vooropgesteld. Als eerste werd de mogelijke rol van het voeder onderzocht. Nu weet men dat het voeder, of de daarin mogelijk aanwezige resten van pesticiden, niet de oorzaak zijn van de ziekte. Voeder kan wel als vector optreden: voeder afkomstig van een besmette stal kan de ziekte veroorzaken bij voorheen gezonde dieren.

De theorie dat er een verbar'ld zou kunnen bestaan met het dysautonomie­ syndroom, waarbij er een aantasting optreedt van het parasympathische zenuwstelsel, kan niet echt onderbouwd worden; de histologische bevindingen zijn tegenstrijdig. Een verband met mucoiede enteropathie, een soortgelijke ziekte die een twintigtal jaren terug opdook, lijkt waarschijnlijker. De letsels zijn gelijkaardig, alleen had mucoiede enteropathie geen epizoötisch karakter zoals bij REE het geval is. Van mucoiede enteropathie is net als voor REE tot nu toe nooit de oorzaak gevonden.

De meest gehoorde theorie is dat een virus de oorzaak van REE zou zijn.

Tot nog toe is men er echter niet in geslaagd uit de aangetaste dieren een virus te isoleren, dat in staat is dezelfde symptomen te veroorzaken tijdens een experimentele infectie. Op bacterieel vlak denkt men aan de mogelijke rol van toxines die een invloed kunnen hebben op de maagdarmpassage van het voeder. Op dit moment zijn er echter nog geen concrete resultaten geboekt.

In de meeste gevallen kan de ziekte wel onder controle worden gehouden door het gebruik van antibiotica, hetgeen wijst op een bacteriële component in het ziektesyndroom. Conventionele konijnen zijn gevoeliger voor REE dan SPF dieren. Bij deze laatste kan de ziekte enkel gereproduceerd worden wanneer de weerstand van de dieren op voorhand onderdrukt is. Verder is er een duidelijk synergistisch effect met andere ziekteverwekkers: in stallen, die te lijden hebben onder bijkomende ziektes zoals pasteurellose, staphylococcose, colibacillose, maar ook parasitaire ziektes zoals coccidiose, worden grotere verliezen geleden. Anderzijds wordt REE ook vastgesteld in zeer goede stallen met een hoge sanitaire status.

Zinkbacitracine

Zinkbacitracine is voor veel door REE aangetaste bedrijven een effectief middel gebleken om de ziekte onder controle te houden; bovendien is het goedkoop,

en kan het via het voeder worden toegediend. Sinds 1.7.99 is echter een Europese richtlijn van kracht, waarbij het gebruik van zinkbacitracine als voeder­ additief verboden is. In sommige landen, waaronder Nederland, Frankrijk en Italië, is een tijdelijke toelating voor het voortgezette gebruik van zinkbacitracine van kracht, mits respecteren van een zekere wachttijd; in andere landen, zoals België, Duitsland, Portugal en Spanje, is het gebruik volledig verboden. Registratie van zinkbacitracine als geneesmiddel stuit op het probleem van de bepaling van een Maximum Residue Level (MRL-waarde). Dit wil zeggen dat na toediening van het product bepaald moet worden hoeveel ervan in het vlees achterblijft. Bepaling van de MRL-waarde is echter pas mogelijk wanneer de actieve substantie in een voldoende zuivere vorm geproduceerd kan worden. Momenteel werkt de producent hier nog aan. Registratie als geneesmiddel zal dus nog enige tijd op zich laten wachten. Het is daarenboven de vraag of ook voor konijnen een registratiedossier opgesteld zal worden.

Andere antibiotica

Een veel gebruikt antibioticum is tiamuline. Andere mogelijkheden zijn neomycine, (oxy)tetracycline, colistine e.a. (zie tabel 3). In het algemeen is het aan te raden vooraleer met een behandeling te beginnen, enkele dieren binnen te brengen bij een laboratorium voor een grondige analyse, en te behandelen in functie van de bekomen resultaten. Antibiotica zullen niet volstaan indien er bijvoorbeeld ook een probleem met coccidiose bestaat op het bedrijf. De keuze van antibiotica wordt best gemaakt op basis van een antibiogram. In veel gevallen heeft men niet onmiddellijk het gewenste resultaat en moet gezocht worden naar de meest effectieve behandelingswijze, eventueel met een combinatie van antibiotica.

Medicatie Zinkbacitracine Tiamuline Tetracycline Oxytetracycine. Gentamycine Colistine Enrofloxacine Neomycine Tilmicosine

(België: tijdelijk toegelaten) Tilmicosine+Apramycine

België: tijdelijk toegelaten

Toedieningswijze

voeder drinkwater drinkwater drinkwater drinkwater drinkwater drinkwater drinkwater

Dosis

150 ppm

7,5 g f100 liter 250-500 mg fliter 250-500 mg I liter 100 mg I liter 35000-80000 IE II 50 mg I liter 200-800 mg I liter


Tilmicosine I Apramycine

In België loopt sinds april van dit jaar een veld proef met de antibiotica tilmicosine en apramycine. Hierbij kan tilmicosine alleen of in combinatie met apramycine worden gebruikt. Het wordt toegediend via het voeder en kan alleen verkregen worden bij veevoederfirma's die van de Belgische overheid toelating hebben gekregen om de antibiotica onder hun voeders te mengen. Indien een konijnenbedrijf aan de veldproef deel wil nemen, wordt dit nauwgezet gevolgd door de provinciale laboratoria. Deze voeren per deelnemend bedrijf een vooronderzoek uit. waarbij een aantal konijnen door lijkschouwing, en

bijkomend door parasitologische, virologische en bacteriologische technieken wordt geanalyseerd. Na start van het gebruik van de antibiotica moeten er minstens elke 6 weken konijnen naar de provinciale laboratoria worden gebracht voor herhaling van de analyses. Deze veldproef loopt nog tot 31.12.00, maar de mogelijkheid bestaat dat een verlenging bekomen kan worden.

In de periode april - augustus 2000 zijn de volgende resultaten bekomen.

52 bedrijven boden zich aan om deel te nemen aan de veldproef. De konijnen van meer dan 60 % van deze bedrijven vertoonden de klassieke REE letsels bij het vooronderzoek. De andere bedrijven hadden een voorgeschiedenis van enteropathie, hoewel de situatie op het moment van het vooronderzoek met behulp van andere antibiotica min of meer onder controle was, en de lijk­ schouwing geen REE letsels opleverde. In de loop van de behandeling nam het aandeel van REE in het lijkschouwingsbeeld af (zie figuur 1).

Figuur 1 Evolutie van de lijkschouwingsresultaten in de loop van de veldproef (periode april- augustus 2000). Gegevens zijn eigendom van de firma Eli Lilly E/anco.



"E

:J

8 0

lIenteropathie (evt + andere path)

Het aantal geisoleerde (pathogene) kiemen vermindert in de loop van de behandelingsperiode. Er wordt weinig effect gezien op de aanwezigheid van Clostridium spiroforme. Het aantal Saccharomycopsis guttulatus neemt gestadig toe naarmate de behandelingsperiode langer duurt. Wat betreft coccidiose wordt geen invloed gezien. De detectie van rotavirus vermindert naarmate de dieren ouder worden, hetgeen normaal is gezien de immuniteitsopbouw die optreedt na contact met het virus.

De sterftepercentages na spenen dalen voor ruim 80 % van de deelnemende bedrijven tot onder 11 %, hetgeen het gemiddelde is voor de periode 1993-1996. Twee bedrijven meldden dat er geen daling van de sterfte optrad na start van de behandeling, en hebben de behandeling daarom stopgezet. Eén bedrijf haalde in de eerste maanden gunstige resultaten, maar had een sterke stijging van de sterfte in de derde observatieperiode; een ander bedrijf kreeg met hetzelfde probleem te kampen in de vijfde observatieperiode.

De bedrijfsvoerders kiezen voor het gebruik van tilmicosine of tilmicosine in combinatie met apramycine in functie van hun bedrijfssituatie; er is voor deze twee groepen geen duidelijk verschil in de sterftepercentages n-a spenen na de start van de behandeling. Hetzelfde geldt voor de behandeling via de speen­ korrel of continue behandeling tot 2 weken voor de slacht.

Ziekte-insleep beperken

Een aantal fundamentele hygiënische maatregelen zijn nuttig om ziekte-insleep in het algemeen te voorkomen. Het is ten zeerste aan te raden gebruik te maken van een sas bij het betreden van de stal, waar schoeisel ontsmet of gewisseld wordt. Bij gebruik van een bak met ontsmettingsvloeistof, dient deze vloeistof minimum 2 keer per week ververst te worden. In de sas moeten ook de handen gewassen worden, en bij voorkeur afgedroogd met wegwerpdoekjes. Hier trekt men ook werkkledij aan die uitsluitend in de stal wordt gedragen. Bezoekers worden slechts tot de stal toegelaten indien zij kleding en over­ schoenen van het bedrijf aantrekken. Het is aan te raden bezoekers minstens de handen te laten wassen, of beter nog, daarenboven wegwerphandschoenen te laten dragen.

De sas mag alleen als sas gebruikt worden; het is niet de bedoeling deze ruimte als atelier of als voorraadkamer te gebruiken. Ze moet regelmatig gereinigd en ontsmet worden. De stalkledij moet regelmatig gewassen worden, laarzen moeten proper gehouden worden (de ontsmettingsvloeistof is niet in staat bemodderde of met mest bevuilde laarzen te desinfecteren), en de vuilbak moet regelmatig geleegd worden.

Indien er nieuwe dieren in de stal binnengebracht worden, kunnen deze het best in één enkele levering en van éé n enkel bedrijf worden gekocht. Elk dier moet individueel worden gecontroleerd op symptomen van ziekte, en vooraleer ze in de stal worden gebracht, moeten ze 2 tot 3 weken in afzondering worden gehouden. In het algemeen moeten ongedierte en insecten bestreden worden, en mogen geen dieren (honden, katten, vogels, ... ) in de stal worden toegelaten.

Van voertuigen moeten de banden ontsmet worden voor ze het erf oprijden, of ze moeten verwijderd blijven van het terrein rond de stal. Een andere mogelijk­ heid is ongebluste kalk te strooien.

Op de dag van de slacht moeten de kratten gereinigd en ontsmet zijn voor ze op het bedrijf worden binnengebracht.

Infectiedruk zo laag mogelijk houden

Dode dieren moeten zo snel mogelijk verwijderd worden. De kadavers moeten geisoleerd van de stal worden opgeslagen. De bak waarin ze worden verzameld, moet regelmatig gereinigd en ontsmet worden. Indien de kadavers gestockeerd worden in een diepvries, moeten ze verpakt worden in een plastiekzak om besmetting van de diepvries te vermijden, en de diepvries zelf moet regelmatig ontdooid, gereinigd en ontsmet worden. Dit kan slechts gebeuren wanneer de diepvries op kamertemperatuur gekomen is.

Veel ontsmettingsmiddelen werken niet bij een te lage temperatuur.

Zieke dieren moeten eveneens zo snel mogelijk uit de stal verwijderd worden. De stalinfrastructuur moet op een regelmatige basis gereinigd en ontsmet worden; dit inclusief het ventilatiesysteem en andere stofnesten. Ook de voedersilo's moeten regelmatig leeggemaakt, gereinigd en ontsmet worden.

Dit kan het best gebeuren met gas (formolkaarsen). Materiaal dat gedemon­ teerd kan worden, moet buiten de stal gereinigd en ontsmet worden. Een regelmatige sanitaire leegstand, éé n keer per jaar, gevolgd door herbevolking, . heeft een gunstig effect op de gezondheid van de konijnen.

De onderbouw van de stal,de inkom en de laadzone moet bestaan uit een materiaal dat gemakkelijk gereinigd en ontsmet kan worden, zoals beton. Ook moet voor een goede afvoer van regenwater gezorgd worden. Waterplassen zijn immers een ideaal milieu voor kiemgroei.

Reiniging en ontsmetting

Reiniging is uiterst belangrijk als voorbereiding voor ontsmetting. Een besmet oppervlak dat gereinigd wordt, zal 1000 keer minder bacteriën bevatten; bovendien heeft elk ontsmettingsmiddel maar een beperkt doordringings­ vermogen. Indien er een laag vuil op het te ontsmetten oppervlak aanwezig is, zal deze volledige ontsmetting verhinderen.

.. Ontsmettingsmiddelen dienen gebruikt te worden in de correcte dosering en onder correcte omstandigheden (omgevingstemperatuur mag niet te laag zijn). Eveneens belangrijk is de samenstelling van het water waarin het middel gebruikt wordt. Indien bijvoorbeeld bleekwater in het dri nkwatersysteem wordt gebracht, moet er rekeni ng mee gehouden worden dat een deel van het chloor in de lei dingen geabsorbeerd zal worden door het aanwezi ge organische materiaal, een ander deel zal verbrui kt worden bij de uitschakeling van aanwezige kiemen, en ter hoogte van de nippels dient nog een resterende concentratie van 0,2 - 0 ,3 mg chloor per liter drinkwater beschikbaar te zijn. Chloor is overigens alleen werkzaam in zuur water (zuurtegraad kleiner dan 7). Zuur water verhindert ook kiemgroei. Het drinkwatersysteem wordt bijkomend best regelmatig gereinigd met zuren om het organisch materiaal te verwijderen.









ENCEPHALITOZOON CUNICULI INFECTIE BIJ HET KONIJN

Mw. Dr. I. Westerhof

Hoofdafdeling Geneeskunde voor Gezelschapsdi eren Afdeling Vogels en Bijzondere Dieren Uni vers ite it Utrecht , Faculteit der Diergeneeskunde

Encephal itozoon cuniculi is een protozoaire parasiet behorende tot de Microsporidia De parasiet komt voornamelijk voor bij konijnen en knaagdieren, maar ook bi j hondachtigen en primaten i nclusief de (immuun gecompri meerde) mens. Deze vaak subklinisch verlopende ziekte tast bij het konijn met name de nieren en hersenen aan. De paras iet komt wijdverspreid voor, en in sommige popul aties wordt bij meer dan 80% van de konijnen antilichamen gevonden.

Infectie routes

Bij het koni jn vindt verspr eiding plaats door middel van sporozoïeten die door geïnfecteerde dieren via de urine in de omgeving worden uitgescheiden. Dieren van alle leeftijden kunnen afhankelijk van de infectiedruk en hun immuun status geïnfecteerd raken. Een belangrijke besmettingsbron zijn geïnfecteerde (vaak symptoomloze ) moederdieren die na de partus infectieuze sporozoïeten gaan uitscheiden met de urine. Zij besmetten zo hun jongen die aan gecontamineer­ de melkklieren zuigen. De jongen krijgen ook antistoffen van hun moeder, echter deze antistoffen blijven slechts gedurende 4 weken actief.

Ook kan besmetting plaatsvinden via opname van met urine gecontamineerd voer

Symptomen

Na opname vanuit de darm gaat de parasiet via de bloedstroom naar diverse organen. De parasiet heeft een voorkeur voor de nieren en hersenen, maar kan ook in andere organen voorkomen. De parasiet kan gedurende korte of langere tijd in een soort rust stadium komen. Op een bepaald moment kunnen ze weer actief worden en aanleiding geven tot een ontstekingsreactie. Indien dit in het centrale zenuwstelsel plaats vindt zullen er nerveuze verschijnselen optreden met als meest bekende symptoom de draaihals. De nerveuze verschijnselen kunnen echter uiteenlopen van depressie, coma, overstrekte hals met stijve voorpoten, toevallen, krampen, dronken gang, of gedeeltelijke spierzwakte tot totale verlamming. Deze verschijnselen kunnen bij alle rassen en alle leeftijden gezien worden. Het sterfte percentage kan bij deze vorm oplopen tot 50%. Soms treedt spontaan herstel op.

Konijnen kunnen ook vage ziekteverschijnselen vertonen zoals koorts, een ruige vacht, vermageren of achterblijven in de groei. Bij aantasting van de nieren zullen de dieren veel gaan drinken. Deze ziekteverschijnselen worden nogal eens gezien bij konijnen van 5 tot 6 weken oud, maar kunnen ook op latere leeftijd voorkomen. In vele gevallen worden de milde ziekteverschijnselen gemist. Na enkele weken kunnen de dieren voldoende immuniteit opgebouwd hebben, en ogenschijnlijk herstellen.


In een latere fase (onder invloed van stress, bijvoorbeeld tijdens de partus, of bij verminderde afweer)
kan de z
iekte weer geactiveerd worden. Het verloop van de ziekte hangt af van de infectiedruk
en immuniteit van het dier. Sterfte kan optreden door bloedingen in de hersenen of door ernstige nieraantasting
.

Sinds 1991 wordt bij jonge dwergkonijntjes een oogafwijking beschreven die in relatie wordt
gebracht met
E. cuniculi. Klinisch wordt een witte massa in het oog gezien tengevolge van een ruptuur
van het lenskapsel. In een latere fase ontstaat een ontstekingsreactie rond de lens. De parasiet zou in het
lenskapsel aangetoond zijn
. Deze vorm is niet door ons waargenomen. .

Diagnostiek

Bij het levende dier kan serologisch onderzoek gedaan worden. Bij het dode dier kan de diagnose gesteld
worden middels h
i sto-pathologisch onderzoek van aangetaste organen . Het aantonen van de sporozooeten
in de urine is erg moeilijk
.

Therapie

Zieke dieren dienen ge¡soleerd te worden. Bij in vitro studies blijken Albenda­ zole en Thiabendazole het
meest effectief tegen de parasiet. Daarnaast vindt een ondersteunende therapie plaats
. Naast goede
hygiënische maatregelen dient stress zoveel mogelijk vermeden te worden
.

Preventie

Stress factoren minimaliseren en goede hygiëne en huisvesting door voeren. Ge¡nfecteerde dieren isoleren.
Urine contaminatie dient voorkome}
1 te worden (Iet ook op drinkflesjes). De omgeving en gebruiksvoorwerpen grondig huis­ houdelijk reiniging.
De sporozoïeten zijn gevoelig voor water van 60
oe.

Na huishoudelijk reinigen de omgeving goed laten drogen of branden.

Als desinfectie middelen worden genoemd fenol 2%, formaline 10% of ethylalcohol 70%. De waarde van
serolog
ische screening van konijnen­ bestanden moet verder onderzocht worden.


ZIEKTE VAN TYZZER BIJ KONIJNEN

Mw. Dr. I. Westerhof

Hoofdafdeling Geneeskunde voor Gezelschapsdieren Afdeling Vogels en Bijzondere Dieren Universiteit Utrecht,
Faculteit der Diergeneeskunde

De verwekker van deze ziekte is C/ostridium pi/iforme (C. piliforme), vroeger Bacil/us piliformis genoemd.
Deze sporenvormende, staafvormige bacterie leeft in de cel van zijn gastheer. C. pi/iforme kan een lever- en
darmziekte veroorzaken bij zowel huis- als laboratorium dieren De ziekte van Tyzzer is beschreven bij konijnen,
hamsters
, gerbils, muizen, ratten, paarden, cavia's, katten, honden en vee. Bij konijnen is het voornamelijk een groepsprobleem.

Overdracht

Overdracht van de ziekte vindt plaats na (orale) opname van infectieuze sporen uit de ontlasting van besmette
dieren of uit de omgeving. De sporen zijn zeer stabiel en kunnen lange tijd infectieus blijven. Bij konijnen openbaart
de ziekte zich meestal na blootstelling aan stress. Elke verandering in de huisvesting
, verzorging, voeding of omgeving
kan voor het konijn een stress factor zijn
, en aanleiding zijn voor het optreden van de ziekte.

Symptomen

De ziekte komt voor bij konijnen van alle leeftijden. Konijnen rond de speenleeftijd (5-8 weken) lijken met name gevoelig,
waarschijnlijk omdat het spenen een stressfactor is. Naast de stress speelt de infectiedruk.en de afweer van het dier een belangrijke rol.

De klinische symptomen openbaren zich in de meeste gevallen acuut.

De dieren krijgen een ernstige, waterige diarree, drogen uit, worden apathisch en verliezen hun eetlust. Sterfte treedt
meestal op na 1-3 dagen. De mortaliteit bij een uitbraak kan variëren tussen de 14-40 % in de eerste 3 weken.

Indien dieren de ziekte overleven kan een chronische vorm ontstaan waarbij ze chronisch vermageren. Na verloop van tijd
wordt er voldoende immuniteit in het konijnenbestand opgebouwd, en nemen de ziektegevallen af.

Diagnose

De diagnose is vanwege de korte ziekteduur vaak moeilijk bij het levende dier te stellen. Serologisch onderzoek (IFT) kan
antistoffen tegen de ziekte aantonen en mogelijk hiermee dragers opgesporen.

Bij pathologisch onderzoek zijn de pathologische veranderingen zoals ontsteking en necrosehaarden in dikke darm, lever en
hart suggestief voor de ziekte·. Het aantonen van het organisme in weefsel middels histo-pathologisch onderzoek is bewijzend.

Therapie

De therapie omvat het toedienen van oxytetracyclines. Dit antibioticum lijkt de progressie in een koppel te remmen. Het hele bestand dient langdurig (tot 6 weken) en in hoge dosering via het voer of drinkwater behandeld te worden. Door in een vroeg stadium van de ziekte de diagnose te stellen (sectie van overleden konijnen) kunnen de verliezen door een gerichte therapie beperkt worden. Zieke dieren uit de koppel verwijderen en hygiëne maatregelen nemen om contaminatie van water, voer en bedding te voorkomen. Als desinfectie middel wordt een 0.3% natriumhypochloride oplossing genoefTld.

Preventie

Van groot belang voor zowel behandeling en preventie is het optimaliseren van het management. Naast hygiëne maatregelen stress minimaliseren door een goede huisvesting, het voorkomen van overbevolking, en het bestrijden van ongedierte en stof.

Toekomstplannen

De waarde van serologische screening van konijnenbestanden moet verder onderzocht worden. Ook lijkt het interessant om te zoeken naar de mogelijkheid om Clostridium piliforme in de ontlasting aan te tonen.


 

MASTITIS BIJ VOEDSTERS

Drs. F .C. Kleyn van Willigen Afdeling pelsdieren en konijnen gezondheidszorg

Definitie
Mastitis wordt gekenmerkt door de ontsteking van één of meerdere melkklier pakketten. De mastitis kan zich uitbreiden in één of beide melklijsten.


Voorkomen

Mastitis kan in de hele reproductiefase van de voedsters voorkomen.

De meeste uitval ten gevolge van mastitis wordt in de eerste lactatieperiode gezien. Vijftig procent of meer van de eerste worps voedsters kunnen uitvallen Mastitis kent verschillende fasen. Voorheen werden abcessen als mastitis gekwalificeerd, maar abcessen zijn een gevolg van een voorafgaande (sub)klinische mastitis.


Veroorzakers

Mastitis bij konijnen wordt voornamelijk veroorzaakt door Pasteurella Multocida bacteriën.Vaak wordt Pasteurella Multocida masitis gecompliceerd met een Staphylococcus Aureus bacterie infectie. Andere bacteriën worden zelden geisoleerd en spelen nauwelijks een rol.  

Mastitis, door Pasteurella Multocida veroorzaakt, is meestal in één of enkele melkklieren terug te vinden. De mastitis is abcederend met doorbraak door de huid. De pus is taai en geelwit van kleur.


Mastitis veroorzaakt door Staphylococcus Aureus wordt over het algemeen in alle melkklierpakketten over beide melklijsten gezien. De dieren zijn doodziek door de endotoxine producerende bacterie Staphylococcus Aureus.


De ontstekingen zijn zeer pijnlijk. De melklijsten zijn aan het begin van de infectie gloeiend heet en fel rood van kleur. Vervolgens worden de lijsten steeds blauwer van kleur en koelen af tengevolge van afsterven van het weefsel. De voedsters eten niet meer en hebben hoge koorts.


Oorzaken

Allerlei oorzaken van speen beschadigingen kunnen leiden tot mastitis. Melkstuwing gevolgd door mastitis wordt vooral bij eerste worps voedsters gezien. De voornaamste oorzaak moet gezocht worden in een te weelderige opfok van deze eerste worps voedsters. Bij deze te zware voedsters ontstaat tegen het werpen of vlak erna een enorme melkstuwing. Er is teveel melk die niet door de pas geworpen zoogkonijntjes opgenomen kan worden.


  


Te veel melk blijft hierdoor in de melkklier pakketten achter en vormt een schitterende bodem voor pathogene bacteriëom te groeien. Een optimale leef omgeving, zoals temperatuur en het aanwezig zijn van voedingsstoffen, is aanwezig voor deze bacteriën.


Als gevolg van de melkstuwing kan direct een acute mastitis ontstaan maar ook een subklinische mastitis. Subklinische mastitis is gekenmerkt door een afwijkende melksamenstelling. Subklinische mastitis melk heeft een blauwachtige kleur en een afwijkende smaak, waardoor de zoogkonijnljes deze melkklier pakketten zullen mijden of onvoldoende leeg drinken waardoor te veel melk achter blijft. Hierdoor ontstaat het gevaar dat zich vanuit van een subklinische mastitis een klinische mastitis ontwikkelt.


Klinische symptomen

Mastitis is op veel konijnen bedrijven een groter probleem dan tot nu toe is aangenomen. Worden voedsters uit verschillende reproductiegroepen 2 tot 3 dagen na het werpen goed onderzocht, dan zullen de uitgevallen of afwijkende melkklier pakketten met harde knobbels niet gemist worden. De voedsters die een abcederende mastitis hebben gekregen, zijn vanzelfsprekend al eerder uitgeselecteerd. Voedsters met (sub-) klinische mastitis zogen jongen die onvoldoende groeien, grauw van kleur zijn of uitdrogen t.g.v. het stoppen van de melkproductie in de eerste week na het werpen. Later in de zoog periode, op een leeftijd van 21 tot 28 dagen, wordt een duidelijk verlies van uniformiteit bij de konijntjes gezien. Opvallend zijn de overeind staande haren van de zoogkonijntjes. De uitval binnen deze nesten is over het algemeen te groot. Nesten kunnen gehalveerd worden of zelfs nog verder uitgedund.


Bestrijding en preventie

Een adequate ondernemer moet al zijn voedsters, zeker de 1e worps voedsters, 3 - 5 dagen na het werpen controleren op het voorkomen van (sub-) klinische mastitis. Indien teveel melkstuwing aanwezig is, melkklieren te warm aanvoelen, of de voedster koortsig aanvoelt, dient ogenblikkelijk te worden ingegrepen. Voedsters met melkstuwing en mastitis behandelen met 0,2 cc dexadrenazon of dexamedium gevolgd door een 3-daagse kuur van antibiotica die zijn aangepast aan de kiemen die in de melk worden gevonden. In veel gevallen zal dat zijn trimethoprim sulfa of engamycine. In hardnekkige gevallen kunnen de voedsters na 3 dagen nogmaals worden behandeld met dexadrenazon of dexamedium, gevolgd door een verlenging van de antibioticum kuur. Uit praktijkproeven is gebleken dat met cortico steroïde behandelde voedsters hun cyclisch ritme niet verliezen en net zoals niet behandelde dieren gewoon weer drachtig worden en zonder verlies dagen. Naast een medicamenteuze behandeling zal dwang zogen moeten worden toegepast. Onder dwangzogen wordt verstaan het dwangmatig laten zogen van de zoog konijntjes bij de voedster door de voedster bij haar jongen op te sluiten. Vroegtijdig behandelen leidt tot volledig herstel van de voedsters.



Het is niet aan te bevelen jongen van uitgevallen voedsters met mastitis over te leggen naar pleegmoeders, omdat op deze manier mastitis van voedster naar voedster verspreid wordt, met alle gevolgen van dien. Beter is natuurlijk de mastitis voor te blijven. De voedsters zullen in de opfok niet te weelderig mogen worden; dus aan de schrale kant houden. Ook in de dracht periode mogen de opfok voedsters en de niet zogende meerdere worps voedsters niet te zwaar worden. Verschillende bedrijven hebben dwang zogen van de eerste worps voedsters direct na het werpen structureel in hun bedrijfsvoering opgenomen. Ter preventie van slepende melkziekte en melkziekte is van uitermate groot belang dat de (opfok-)voedsters tot op de laatste dag voor het werpen blijven eten en niet te zwaar zijn. Het toedienen van zinkbacitracine in de opfok kan bij 1e worps voedsters tot overgewicht leiden; dus geen zinkbacitracine in de opfok.