Studiedag WRSA afdeling Nederland 2000 deel 1



Lezingen gehouden tijdens de jaarlijkse studiedag 2000

World Rabbit Science Association afdeling Nederland

Samenvatting van de sessie "Pathologie en Prophylaxis" van het "7th World Rabbit Congress" gehouden van 4-7 juli 2000 te Valencia, Spanje
Katleen Hermans, dierenarts Universiteit Gent Faculteit Diergeneeskunde Vakgroep Pathologie, Bacteriologie en Pluimveeziekten Salisburylaan 133 B-9820 Merelbeke, België

Op het 4-jaarlijks WRSA-congres dat dit jaar te Valencia gehouden werd, werden de nieuwste ontwikkelingen besproken i.v.m. volgende onderwerpen:

  • ­ Voeding en Verteringsfysiologie
  • ­Genetica en Selectie
  • ­Groei en Vleeskwaliteit
  • ­Reproductie en Voortplantingsfysiologie
  • ­Management en Economie
  • ­Ethologie en Welzijn
  • ­Wol- en Bontproductie
  • ­FAO (houden van konijnen in ontwikkelingslanden in het kader van het programma van de Wereld-Voedsel-Organisatie)
  • ­Pathologie en Prophylaxis

    Van deze laatste sessie zal op deze WRSA-studiedag een uittreksel worden gegeven met de meest praktisch interessante zaken.
    Voor de pathologiesessie werden in totaal 25 bijdragen ingediend, verder was er 1 voordracht door gastsprekers en 2 rondetafelgesprekken. Van de ingestuurde bijdragen hebben er 8 geleid tot een voordracht, 17 werden als poster-presentaties voorgesteld.
    De gastsprekers bespraken de ontwikkeling van virusinfecties bij konijnen, met .. de nadruk op het Viraal Hemorrhagisch Syndroom (VHS) of Rabbit Hemorrhagic Disease (RHD), en op myxomatose. Over deze virale infecties waren eveneens 3 bijdragen ingediend.
    Eén rondetafelgesprek handelde over de nieuwste ontwikkelingen i.v.m. de epizoötische enteropathie (Udikke-buiken-ziekte"). Over deze spreidende aandoening waren bovendien 1 0 bijdragen ingestuurd.
    Het tweede rondetafelgesprek behandelde de voor- en nadelen en de Europese regelgeving i.v.m. geneesmiddelengebruik bij konijnen. Vijf ingestuurde artikels behandelden eveneens het gebruik van bepaalde geneesmiddelen (coccidiostatica en antibiotica) bij aandoeningen van konijnen.
    Verder waren er nog 2 artikels i.v.m. staphylococcose, en 5 losse studies i.v.m. pathogene agentia in verschillende Europese landen.

    1. VIRALE AANDOENINGEN BIJ KONIJNEN


    A. Marliere D. en Bertagnoli S. : Virus infections of rabbits

    Het konijn kan geïnfecteerd worden met verschillende virussen, waarvan het myxomatosevirus en het viraal haemorrhagisch syndroom virus (Rabbit Haemorrhagic Disease of RHD) het belangrijkst zijn.
    Myxomatose is een pox-virus dat bij onze Europese konijnen een meestal fataal ziekteverloop kent. De symptomen van myxomatose verschillen naargelang de virusstam waarmee het konijn geïnfecteerd wordt. Van de zogenaamde "nodulaire vorm" zijn verschillende graden beschreven bij laboratoriumkonijnen.
    Na een infectie met een graad I (de meest virulente) stam, ontstaat eerst een knobbel ter hoogte van de infectieplaats, die groter wordt en ulcereert. Een acute ontsteking van oogleden en oogbindvlies (blepharo-conjunctivitis) en een zwelling van het perineum en de geslachtsdelen ontwikkelt zich. Daarna, vanaf de zesde of de zevende dag na de infectie, ontwikkelen zich secundaire huidletsels. De dood treedt meestal op tussen de achtste en de vijftiende dag na infectie.
    Na een infectie met graad 11 tot V stammen ontstaan dezelfde symptomen, maar ze zijn gewoonlijk minder intens en ontwikkelen zich minder snel. Als de dieren overleven, genezen de letsels geleidelijk. Het sterftepercentage varieert tussen 100 % en 20 %, naargelang de stam. De natuurlijke overdracht gebeurt meestal door bijtende insecten. De diagnose wordt meestal gesteld a.h.v. de typische letsels.
    Een andere vorm van myxomatose is de zogenaamde "amyxomateuze myxomatose". De symptomen van deze vorm zijn voornamelijk ademhalingsproblemen, er treden slechts weinig gevallen op met kleine huid knobbels. Wat wel altijd gezien wordt is een acute waterige ooguitvloei met vaak opzwelling van de oogleden ten gevolge van blepharo-conjunctivitis. Soms ontwikkelen zich min of meer ernstige ademhalingsproblemen, waarvan de ernst mee bepaald wordt door secundaire bacteriële infecties, die waarschijnlijk optreden t.g.v. een onderdrukking van de immuniteit door het virus. De diagnose van de ademhalingsvorm van myxomatose is dus veel moeilijker dan die van de nodulaire vorm. Hiervoor moet het virus geïsoleerd worden en geïdentificeerd met een speciale test, een indirecte immunofluorescentie of indirecte immunoperoxidase-test. Het myxomatos~virus komt vaak voor op konijnenbedrijven.
    Naargelang de studie varieert de prevalentie. Eén studie toonde klinische gevallen van myxomatose aan tussen 1986 en 1990 op 13 tot 23 % van de bedrijven. Antistoffen tegenover myxomatose werden aangetoond in 55 % van de konijnen bedrijven bemonsterd in een andere studie, hoewel 72 % van deze positieve bedrijven geen ziekteverschijnselen van myxomatose vertoonde. Een andere studie op Belgische bedrijven toonde een seroprevalentie aan van antistoffen tegen myxomavirus bij 55 % van de voedsters en 37 % van de mestkonijnen .

    Het RHD-virus werd in Europa voor het eerst beschreven in 1987. Het oorzakelijk agens is een calicivirus. Tot op heden werd slechts één serotype van het RHD-virus beschreven, hoewel een avirulente variant, RCV genoemd, gekarakteriseerd is, waarvan verondersteld wordt dat die reeds bestond vooraleer de ziekte voor het eerst opgemerkt werd. RHD-virus tast slechts konijnen aan die ouder zijn dan 2 maanden. De incubatieperiode ligt tussen 16 en 48 uur, en infectie leidt gewoonlijk tot peracute of acute ziekte. In peracute gevallen sterven de konijnen plotseling met zeer weinig klinische symptomen.

    In acute gevallen zijn verschillende symptomen beschreven, die echter niet altijd aanwezig zijn: verhoogde lichaamstemperatuur, versnelde ademhaling, cyanose (blauwverkleuring van huid en slijmvliezen), anorexie (geen eetlust). Soms zijn er zenuwsymptomen, bloederig schuim uit de neus, diarree of constipatie. De dood treedt meestal op 2 tot 3 dagen na de infectie. Ziekte- en sterftepercentages kunnen oplopen tot 90 à 100 %. In latere stadia van een uitbraak worden soms subacute of chronische vormen van ziekte gezien. De symptomen zijn dezelfde als bij de acute vorm, maar de ziekte evolueert trager, het sterftepercentage ligt lager en sommige dieren kunnen de infectie overleven. Een typische eigenschap van het RHD-virus is dat het leeftijdsgebonden is, konijnen jonger dan 4 weken zullen nooit ziek worden, en als er geen maternale antistoffen aanwezig zijn, zullen zij na infectie levenslange immuniteit ontwikkelen.
    Het RHD-virus vermeerdert in levercellen, waardoor er bij lijkschouwing een typisch vergrote, bleke, gele, of gestuwde broze lever kan gezien worden met een duidelijk lobulair patroon. Andere letsels zijn een vergrote donkere milt, puntbloedingen in lever, long, nier, hart of luchtpijp. De diagnose wordt gewoonlijk gesteld aan de hand van het ziekteverloop en de macroscopische letsels bij lijkschouwing. Het RHD-virus kan snel spreiden via verschillende wegen en vectoren. . Onder praktijkomstandigheden treedt infectie gewoonlijk op via direct contact . tussen dieren (het virus is aanwezig in alle excretie- en secretie producten van geïnfecteerde dieren). Het virus is zeer stabiel in de omgeving en kan materialen contamineren zoals voeder, drinkwater en bodembedekking. In Australië is er aangetoond dat bepaalde insecten verantwoordelijk zijn voor de overdracht van het virus bij wilde konijnen. Ook passieve overdracht van het virus via verplaatsing van mensen, materiaal en dieren is mogelijk. Zelfs via import en export van konijnenvlees werd overdracht beschreven.

    Combinatie van fysische maatregelen en vaccinatie kunnen de infectie met myxomatose- en RHD-virus onder controle houden. Tegen myxomatose worden volgende maatregelen aaogeraden: insectenbestrijding, quarantaine van nieuw aangekochte dieren (of aankoop van konijnen met gekende gezondheidsstatus), opruimen van aangetaste tomen en desinfectie van besmette stallen. Een andere studie op Belgische bedrijven toonde een seroprevalentie aan van antistoffen tegen myxomavirus bij 55 % van de voedsters en 37 % van de mestkonijnen .
    Het RHD-virus werd in Europa voor het eerst beschreven in 1987. Het oorzakelijk agens is een calicivirus. Tot op heden werd slechts één serotype van het RHD-virus beschreven, hoewel een avirulente variant, RCV genoemd, gekarakteriseerd is, waarvan verondersteld wordt dat die reeds bestond vooraleer de ziekte voor het eerst opgemerkt werd.
    RHD-virus tast slechts konijnen aan die ouder zijn dan 2 maanden.
    De incubatieperiode ligt tussen 16 en 48 uur, en infectie leidt gewoonlijk tot peracute of acute ziekte. In peracute gevallen sterven de konijnen plotseling met zeer weinig klinische symptomen. In acute gevallen zijn verschillende symptomen beschreven, die echter niet altijd aanwezig zijn: verhoogde lichaamstemperatuur, versnelde ademhaling, cyanose (blauwverkleuring van huid en slijmvliezen), anorexie (geen eetlust).
    Soms zijn er zenuwsymptomen, bloederig schuim uit de neus, diarree of constipatie.
    De dood treedt meestal op 2 tot 3 dagen na de infectie.
    Ziekte- en sterfte percentages kunnen oplopen tot 90 à 100 %. In latere stadia van een uitbraak worden soms subacute of chronische vormen van ziekte gezien.
    De symptomen zijn dezelfde als bij de acute vorm, maar de ziekte evolueert trager, het sterftepercentage ligt lager en sommige dieren kunnen de infectie overleven.
    Een typische eigenschap van het RHD-virus is dat het leeftijdsgebonden is, konijnen jonger dan 4 weken zullen nooit ziek worden, en als er geen maternale antistoffen aanwezig zijn, zullen zij na infectie levenslange immuniteit ontwikkelen.
    Het RHD-virus vermeerdert in levercellen, waardoor er bij lijkschouwing een typisch vergrote, bleke, gele, of gestuwde broze lever kan gezien worden met een duidelijk lobulair patroon. Andere letsels zijn een vergrote donkere milt, puntbloedingen in lever, long, nier, hart of luchtpijp.
    De diagnose wordt gewoonlijk gesteld aan de hand van het ziekteverloop en de macroscopische letsels bij lijkschouwing. Het RHD-virus kan snel spreiden via verschillende wegen en vectoren. Onder praktijkomstandigheden treedt infectie gewoonlijk op via direct contact .. tussen dieren (het virus is aanwezig in alle excretie- en secretieproducten van geïnfecteerde dieren). Het virus is zeer stabiel in de omgeving en kan materialen contamineren zoals voeder, drinkwater en bodembedekking.

    In Australië is er aangetoond dat bepaalde insecten verantwoordelijk zijn voor de overdracht van het virus bij wilde konijnen. Ook passieve overdracht van het virus via verplaatsing van mensen, materiaal en dieren is mogelijk. Zelfs via import en export van konijnenvlees werd overdracht beschreven. Combinatie van fysische maatregelen en vaccinatie kunnen de infectie met myxomatose- en RHD-virus onder controle houden.

    Tegen myxomatose worden volgende maatregelen aangeraden: insectenbestrijding, quarantaine van nieuw aangekochte dieren (of aankoop van konijnen met gekende gezondheidsstatus), opruimen van aangetaste tomen en desinfectie van besmette stallen.
    Tegen RHD dienen maatregelen getroffen te worden met als doel insleep van het virus door mensen en materiaal te voorkomen (ontsmetten en verplaatsing beperken), direct of indirect contact met wilde konijnen te vermijden, insectenbestrijding en quarantaine van nieuw aangekochte dieren. Kooien en materiaal kunnen worden ontsmet met formaline (1-2 %), natriumhypochloriet (0,5 %) of natriumhydroxide (10 %).
    Indien zich een RHD besmetting heeft voorgedaan, dient de ganse konijnenkolonie te worden opgeruimd en moeten alle kooien en materialen (inclusief verdacht voeder) ontsmet worden vooraleer nieuwe dieren op te zetten. Vaccinatie tegenover myxomatose is mogelijk d.m.v. heterologe vaccins gebaseerd op het "Shope fibroma virus" of met homologe vaccins gebaseerd op een levend verzwakte myxomavirusstam (de zogenaamde SG33).
    Er wordt aangeraden een eerste vaccinatie uit te voeren met een heteroloog vaccin, en de boostervaccinaties met SG33, omdat sommige verzwakte myxomavirusstammen nog een zekere restpathogeniteit voor jonge konijnen zouden hebben.
    Tegen RHD wordt meestal een vaccin gebruikt dat gebaseerd is op een geïnactiveerd homogenaat van experimenteel geïnfecteerd konijnenweefsel, hetgeen aan oudere konijnen een goede bescherming geeft tegen een fatale afloop van de infectie. Momenteel doet men onderzoek naar vaccins die gebaseerd zijn op het zogenaamde VP60-eiwit van RHD-virus, dat recombinant geproduceerd kan worden, waardoor niet meer met experimenteel geïnfecteerde dieren hoeft gewerkt te worden voor vaccinproductie. Bovendien werken Bertagnoli et al. aan een recombinant vaccin dat gebaseerd is op de SG33 myxomavirusstam die het VP60 RHD-eiwit tot expressie brengt.
    Hierdoor zou tegen beide virussen samen gevaccineerd kunnen worden, en zou ook het probleem van eventueel aanwezige maternale antistoffen, die eventueel aanwezig zijn bij jonge dieren en het effect van vaccinatie tegen RHD teniet doen, kunnen oplossen.
    Er is tot nu toe ook nog geen restpathogeriiteit van deze recombinante SG33 stam aangetoond. Naast bescherming via de intradermale weg, zou met hogere doses van het vaccin bovendien via orale weg (voeder, drinkwater) een effectieve immuniteit kunnen worden opgebouwd.
    Verder onderzoek in praktijkomstandigheden moet nog gebeuren.

    Andere virussen die bij konijnen voorkomen zijn: herpesvirussen (1 maal is sterfte hierdoor beschreven), papovavirussen (veroorzaken een soort wratten), parvovirus (weinig symptomen), rotavirus (diarree) en coronavirus (ademhalingssymptomen en eventueel diarree). Deze virussen zijn weinig belangrijk.

    B.
    Grazioli S., Lavazza A., Scicluna M.T., Agnoletti F., Guercio A., Fallacara
    F.,.Brocchi E., Capucci L. : Epidemiological survey on the diffusion of the first subtype of Rabbit Haemorhagic Disease Virus (RHDVa) in some Italian regions.
    Tot eind 1996 kon geen enkele duidelijke variatie tussen RHD-virusstammen worden aangetoond en tot nu toe werd slechts één serotype van RHD-virus beschreven. Recent toonden twee studies ongeveer gelijktijdig en onafhankelijk van elkaar in Duitsland en Italië een RHD-virusstam aan die genetisch duidelijk verschilde van de originele stam. De konijnen die gevaccineerd waren met het normale RHD-vaccin waren echter nog wel beschermd tegen de variant, die RHD-virus subtype a, kortweg RHDVa, genoemd werd. In deze Italiaanse studie werd de verspreiding van het RHD-virus en van de nieuwe variant RHDVa in Italië nagegaan. De onderzoekers ontwikkelden daarvoor ook nieuwe monoclonale antistoffen (antistoffen die één specifiek eiwit, hier bv. van het subtype RHDVa, aantonen). Er werden in totaal 334 gevallen van RHD gevond~n, waarvan er 47 . tot het RHDVa subtype behoorden. Het bleek dat dit subtype reeds over gans Italië, behalve op het eiland Sicilië, verspreid is. De auteurs concluderen dat het belangrijk is de genetische evolutie van het RHD-virus te volgen, met het oog op eventuele bereiding van nieuwe vaccins.

    C.
    Le Gall-Reculé G., Zwingelstein F., Le Gall G. : Development of an immunocapture-RT-PCR for the detection and molecular epidemiology study of Rabbit Haemorrhagic Disease Viruses (RHDV).
    Tot nu toe wordt de virologische diagnose van RHD gesteld door middel van een ELISA-test, waarbij antistoffen tegen RHD gebruikt werden om het virus aan te tonen. Deze auteurs ontwikkelden een nieuwe test. De door RHD-virus geïnfecteerde konijnenlever wordt ingevroren en daarna ontdooid. De bovenstaande vloeistof (het exsudaat) van deze ontdooide lever wordt verzameld. In de nieuwe diagnostische test wordt eerst het virus uit dit exsudaat geïsoleerd door middel van antistoffen (uit experimenteel geïnfecteerde kippen) tegen RHD, daarna wordt het genetisch materiaal "overgeschreven" door het zogenaamde "reverse transcriptase", dit genetisch materiaal wordt dan vermenigvuldigd en aangetoond. Deze test is snel, net als de ELISA, en bovendien 10- tot 100- maal gevoeliger. Een bijkomend voordeel is dat eventuele genetische veranderingen van het RHD-virus ook kunnen worden opgespoord door het vermeerderde genetisch materiaal te onderzoeken (sequeneren), en dat de isolatie van het genetisch .. materiaal met deze test veel sneller gaat dan met de normale procedure.

    D.
    Lemière S. : Combined vaccination against myxomatosis and VHD: an . innovative approach.
    Dercunimix® is een vaccin van de firma Mérial, dat bescherming geeft tegen zowel myxomatose als RHD, en dat de klassieke antigenen bevat zoals hoger beschreven, nl. de levend verzwakte homologe SG33 myxomastam en een geïnactiveerd RHD-virus bereid uit levers van geïnfecteerde konijnen. Dit vaccin is reeds op de markt in Frankrijk. Deze studie test de veiligheid van het vaccin volgens de Europese regelgeving. De SG33 stam vertoonde geen spreiding tussen Specific Pathogen Free (SPF) konijnen onder laboratoriumomstandigheden, geen terugkeer naar virulentie en had geen invloed op de humorale immuniteit van de gevaccineerde konijnen. De toediening van een dubbele dosis van het vaccin bij voedsters had geen invloed op het drachtpercentage en op de nakomelingen. Infectieproeven met virulente myxomatose en RHD virusstammen toonde de efficiëntie van het vaccin aan. Toediening van het vaccin gebeurt met een speciaal apparaat (Dermojet) intradermaal in het oor van de konijnen. Het vaccinatieschema voor toekomstige fokvoedsters dat aangeraden wordt door de firma is als volgt: SG33 virusvaccin op 4 weken ouderdom en Dercunimix® vaccin op 10 weken ouderdom biedt bescherming tegenover zowel myxomatose en RHD. Verder raden zij boostervaccinaties aan met SG33 vaccin 4 en 8 maanden later en met Dercunimix® 12 maanden later.

    2.
    EPIZOÖTISCHE ENTEROPATHlE: OVERZICHT VAN HET HUIDIGE ONDERZOEK Licois D., Coudert P., Ceré N., Vautherot J.F. : Epizootic enterocolitis of the rabbit : review of current research.

    Een nieuwe ernstige maag-darm-aandoening bij konijnen verscheen in Frankrijk sinds eind 1996/begin 1997. De ziekte wordt gekenmerkt door verminderde voederopname gevolgd door kleine hoeveelheden waterige diarree, hoge sterftepercentages (30 - 80 %) en een snelle verspreiding. Het probleem breidde zich uit over andere Europese landen in 19.97 en 1998, pas midden 1998 werd in Frankrijk een zekere controle over het fenomeen bekomen door zeer strikte hygiënische maatregelen gecombineerd met het gebruik' van bepaalde antibiotica (bacitracine, tiamuline). Nu wordt geschat dat in Frankrijk 90 tot 95 % van de commerciële konijnen bedrijven aangetast zijn of geweest zijn door deze zogenaamde epizoötische enteropathie (EE). De ziekte tast voornamelijk jonge mestkonijnen aan, tussen 6 en 8 weken oud. Meestal treden de symptomen op na het spenen, doch ook bij oudere konijnen zijn de problemen beschreven. Typisch voor EE (in tegenstelling tot andere darmaandoeningen) is dat er een duidelijke zwelling van de buik optreedt ("dikke buikenziekte"), er een sterk opgezette maag gevuld met vocht aanwezig is en slijm in de darmen teruggevonden wordt. Verder zijn er meestal geen duidelijke ontstekingsletsels (stuwing en bloedingen) in de darm te vinden.
    Het syndroom lijkt op de mucoiede enteropathie die reeds vroeger beschreven werd, met dat verschil dat het toen om geïsoleerde gevallen ging en hier om een duidelijk spreidende aandoening. Er dient echter wel vermeld te worden dat de vroegere situatie wat betreft konijnen productie en marktbewegingen niet te vergelijken zijn met deze van vandaag de dag. Onderzoek naar de oorzaak van EE is voornamelijk in Frankrijk uitgevoerd in samenwerking met verschillende onderzoekscentra, doch heeft tot nu toe het oorzakelijk agens nog niet kunnen identificeren. Er werd duidelijk aangetoond dat de symptomen experimenteel reproduceerbaar zijn en dat de ziekte zeer besmettelijk is.
    De histologische letsels in de darm en het verloop van de ziekte wijzen volgens de meeste onderzoekers op een virale oorzaak. Bovendien bleken de meeste antibiotica niet effectief te zijn. Bacitracine en tiamuline hebben ook slechts een beperkt effect, in die zin dat bleek dat zelfs na 5 of 6 weken behandeling, de ziekte terug de kop opsteekt binnen de week na het stopzetten van de therapie. Er werden ook na uitgebreid bacteriologisch onderzoek nog geen aanwijzingen gevonden voor enige bacteriële oorzaak. Wat betreft de experimenten die tot op heden werden uitgevoêrd, dienen verder nog enkele bijzonderheden vermeldt te worden. De ziekte werd tot nu toe meestal gereproduceerd in konijnen door toediening van darminhoud van aangetaste dieren. Het was echter ook mogelijk de ziekte over te brengen door verplaatsingen van voeder, door contact met andere dieren en zelfs door contact met volledig gereinigde maar niet-ontsmette materialen zoals kooien en voederketting.
    De symptomen treden meestal op 4-5 dagen na de experimentele infectie.
    Tweemaal is men er reeds in geslaagd om de ziekte op te wekken met longextracten van zieke dieren, hetgeen weer wijst op een mogelijk virale oorzaak. Bij dieren die de ziekte overleefden bleek er nadien immuniteit aanwezig te zijn tegen een nieuwe besmetting. SPF konijnen bleken minder gevoelig voor de ziekte dan gewone dieren, indien echter de immuniteit van deze SPF dieren onderdrukt werd door toedienen van corticosteroïden, dan waren zij even gevoelig als normale dieren. Oraal toedienen van het inoculum leek ook beter de'symptomen te kunnen reproduceren dan wanneer het via een sonde rechtstreeks in de m'àag werd gebracht. Dit zou er eventueel op kunnen wijzen dat het oorzakelijk agens eerst een cyclus moet doormaken in het voorste deel van het spijsverteringsstelsel.
    Alle pogingen om verdachte virussen die in kleine hoeveelheden voorkwamen bij besmette dieren te identificeren, zijn tot nu toe mislukt. Aanwijzingen dat eventueel een rotavirus een rol zou spelen in EE, zijn tot nu toe nog niet bevestigd. Het onderzoek naar de oorzaak van EE wordt verder gezet, voornamelijk omwille van de moeilijke socio-economische situatie van de konijnenkwekers, aldus de auteurs.

    B.
    Macchioni P., Mariani G., Finzi A. : Epidemiology of epizootic rabbit enterocolitis in rabbits raised without chemical treatments.
    In een kleine konijneneenheid werd de wekelijkse sterfte t.g.v. EE opgetekend, in alle gespeende groepen gedurende een gans jaar. Aangezien hier biologisch geteeld vlees werd geproduceerd, werd er geen antibioticumbehandeling toegepast, niettegenstaande de hoge sterftecijfers. Er werd aldus een objectieve kijk op de zaak verkregen. De cumulatieve mortaliteit (van 1 tlm 10 weken na spenen) lag, naargelang de speengroep, tussen 29 en 56 %. In een andere kleinschalige konijnenhouderij werden de dieren onder antibiotica gehouden tot het begin van de 4de week na spenen. Nadien werd de sterfte door EE nagegaan, deze vertoonde een trend zoals gezien op het bedrijf zonder antibiotica, doch de sterfte was lager en varieerde naargelang de speengroep tussen 4 en 31 OIo. Er bleek bovendien een seizoensinvloed te bestaan, waarbij de ziekte tijdens de zomer minder leek te spreiden en een minder ernstig verloop kende.

    C.
    Vandekerchove D., Charlier G., Roels S. :
    A naturally occuring case of mucoid enteropathy in a specific pathogen free (SPF) rabbit. Een SPF-voedster die tekenen van EE vertoonde, werd gelijkschouwd. Bij deze autopsie werden letsels typisch voor EE teruggevonden (zie hoger). Bacteriologisch onderzoek leverde geen klassieke pathogene bacteriën op. Met een ELISA test werd aangetoond dat er rotavirus aanwezig was in de darm. Bovendien werden met electronenmicroscopie virale partikels, waarschijnlijk rotavirussen, teruggevonden in de cellen van de dundarm, de dikdarm en het caecum. Daarnaast werden ook E coli-achtige bacteriën in een deel van de dundarm gezien, die opgenomen waren in vacuolen (blaasjes) in de cellen. In de lever werden ook veel vacuolen gezien, waarin soms parakristallijne structuren aanwezig waren. Ook het hersenweefsel was ernstig aangetast. Er dienen nog verdere tests te worden uitgevoerd om de virale partikels en de Ecoli-achtige bacteriën in de cellen te identificeren.

    D.
    Ceré N., Niepceron A., Vasseur M., Lorrot M., Vautherot J.F., Licois D. Detection of rabbit rotavirus
    by polymerase chain reaction in faeces and comparison of gene 9 sequence between two isolated strains. In reeds beschreven rotavirusinfecties bij konijnen wordt melding gemaakt van zachte mest, veel vocht en gas in de dundarm, caecum en dikdarm: Deze bevindingen lijken op de symptomen beschreven bij EE. Vandaar dat de auteurs van deze studie op zoek gingen naar rotavirussen bij konijnen aangetast door EE. Rotavirussen werden echter maar in enkele meststalen teruggevonden, hoewel met alle meststalen EE kon geïnduceerd worden in SPF konijnen. Twee rotavirusstammen werden genetisch vergeleken, en bleken verschillend van elkaar te zijn. Deze resultaten wijzen erop dat de rol van rotavirus in EE twijfelachtig is.

    E.
    Barral E., Biet F., Duivon D., Filleul J.P., Prim R. : Assessment of the extent of lesions, parasites and bacteria in rabbit farms contaminated by epizoötie rabbit enterocolitis (ERE).
    Deze studie beschrijft de letsels, de parasieten en de bacteriën geïsoleerd in 10 konijnenbedrijven in West-Frankrijk, die aangetast waren door EE. De gevonden letsels zijn overal identiek, onafhankelijk van de leeftijd van de betrokken konijnen. De analyses konden geen enkele specifieke bacterie aanduiden als oorzaak van de problemen, hoewel er een tendens was naar E coli-achtige bacteriën (vnl. serotype O2) en sulfietreducerende bacteriën (o.a. Clostridium perfringens) in de darm.

    F.
    Coudert P., Licois 0., Zonnekeyn V. : Epizootic rabbit enterocolitis and coccidiosis : a criminal conspiracy.
    SPF konijnen werden simultaan geïnfecteerd met darminhoud van een konijn dat leed aan EE en met coccidia (Eimeria media en Eimeria magna). De groepen werden behandeld met Cycostat 66G (robenidine hydrochloride) en vergeleken met niet-behandelde groepen. De resultaten wezen op een duidelijke synergie tussen EE en coccidiose, met ernstige diarree en een hoog sterftecijfer. Behandeling tegen coccidiose verlaagde zowel het ziekte- als het sterftepercentage. .

    G.
    Guitian J., Corrales J.C., Prieto C., Vega M.D., Cachaldora P., Fernandez P., Hermida M.J., Sanjuan M.L., Yus E. : An assay of experimental mucoid enteropathy with commercial dry rabbits pellets.
    Deze auteurs beschrijven een poging om mucoïede enteropathie experimenteel op te wekken d.m.v. commerciële konijnenkorrels. De ziekte kon niet gereproduceerd worden, ondanks de introductie op het proefbedrijf van dieren en voeder afkomstig van bedrijven die reeds gedurende meerdere maanden klinisch aangetast waren door EE. Er moet daarbij opgemerkt worden dat de omstandigheden binnen het proefbedrijf duidelijk verschillen van deze op de commerciële bedrijven, doordat er zeer strikte hygiënische maatregelen in acht genomen worden gedurende de ganse afmestperiode. Deze resultaten zouden erop kunnen wijzen dat de omgeving en de erin aanwezige bacteriën een belangrijke rol spelen in het al dan niet verschijnen en de intensi):eit van de symptomen van EE op commerciële bedrijven.

    H.
    Coudert P., Rideaud P., Raboteau D. : Epizootic rabbit enterocolitis : spontaneous evolution and attempt to control the disease.
    Op een konijnenbedrijf dat aangetast was door EE, werd de evolutie van de ziekte binnen de fok- en afmesteenheden nagegaan. Tegelijkertijd werd de '. efficiëntie van een antibioticum (Tiamuline 32 ppm) en van een immunostimulator (MacroGard), tesameli of apart toegediend in het voeder, nagegaan in 4 speengroepen. Gedurende de periode voor het spenen waren de resultaten zeer goed en werd geen ziekte of sterfte opgemerkt. Wanneer geen behandeling werd toegepast, verscheen de eerste sterfte 10 dagen na het spenen, met een piek 10 dagen later. Dieren die niet stierven tijdens de proefperiode, vertoonden een lagere groei tijdens de ganse afmestperiode. Deze proef toont verder aan dat Tiamuline 32 ppm in het voeder gegeven aan dieren van 3 tot 8 weken oud, de sterfte t.g.v. EE volledig onder controle kan houden, maar reeds 5 dagen na het stopzetten van de therapie verschijnt de sterfte opnieuw. Het feit dat na spenen de sterfte over het algemeen pas optreedt na 10 dagen, terwijl dit op 8 weken ouderdom na stopzetten van het antibioticum reeds na 5 dagen is, zou erop kunnen wijzen dat oudere dieren zwaarder geïnfecteerd zijn door het oorzakelijk agens van EE dan jongere dieren. Het effect van de immunostimulator (MacroGard) moet nog verder onderzocht worden. Het lijkt er voorlopig op dat er, indien zonder antibioticum toegediend, geen effect op het sterftecijfer kan verwacht worden doch wel een kleiner negatief groei-effect gezien wordt. Indien samen met een antibioticum toegediend zou de immunostimulator een duidelijk positief effect hebben op de controle van ziekte en sterfte.

    I.
    Badiola J.I., Faus C., Pérez de Rozas A.M., Gorostiaga 0., Rosel! J.M. : Mucoid enteropathy : treatment with apramycin of naturally infected rabbits.
    Deze auteurs gaan ervan uit dat de mucoïede enteritis geen specifieke ziekteentiteit is doch een algemene respons op verschillende factoren. Omdat echter naar hun mening gramnegatieve bacteriën het meest voorkomen in de flora van de aangetaste dieren zou apramycine, gezien zijn hoofdzakelijk gramnegatief spectrum, een effectief antibioticum kunnen zijn tegen deze ziekte. Om dit na te gaan werd het effect van behandeling met apramycine in natuurlijk aangetaste konijnen met mucoïede enteropathie vergeleken met resultaten bekomen bij niet-behandelde dieren. De konijnen waren 4 weken oud bij het begin van het experiment. De behandelde dieren (2 groepen) kregen: groep 1) 75 mg/I apramycine sulfaat (in dit geval Girolan Polvo Hidrosoluble Oral) in het drinkwater gedurende 14 dagen en groep 2) 150 ppm apramycine sulfaat (Apralan premix) in het voeder gedurende 14 dagen. Het bleek dat sterfte t.g.v. mucoïede enteropathie onder controle kan gehouden worden door toediening van apramycine sulfaat. Toediening in het drinkwater bleek tijdens de eerste week van de behandeling effectiever te zijn dan deze in het voeder. Dit is te verklaren door het feit dat tijdens deze eerste week de dieren minder eetlust hebben en dus minder voer opnemen, hetgeen resulteert in een opgenomen antibioticumdosis die slechts de helft is van deze opgenomen via het drinkwater. Het voordeel van apramycinebehandeling is bovendien dat dit antibioticum praktisch niet opgenomen wordt vanuit de darm, en dus bijgevolg geen residuen in het vlees teweegbrengt.

    J.
    Duperray J., Eckenfelder B., Puybasset A., Richard A., Rouault M. : Interest of zinc bacitracin in the treatment and the prevention of the epizootic rabbit enterocolitis syndrome in growing rabbit.
    Deze auteurs gaan ervan uit dat secundaire bacteriële woekering bij EE, vnl. van C/ostridium perfringens en C/ostridium spirofarme, een grote rol spelen bij het optreden van sterfte. Vandaar dat zij het effect van zincbacitracine, dat deze kiemen remt, hebben nagegaan in 3 experimenten. In de eerste proef waren een groep die voer kreeg afkomstig van een besmet bedrijf, een groep die nietgecontamineerd voer kreeg en 2 groepen die voer+zincbacitracine kregen, opgenomen. Hier werd een sterke daling van de sterfte aangetoond na behandeling met 70 ppm of 100 ppm bacitracine in het voeder. De sterfte was meer dan 40 % in niet-behandelde groepen en 3 à 6 % bij behandelde groepen. Proef 2 ging door in dezelfde afmestruimte als proef 1, zonder dat deze ontsmet was, en weer kreeg 1 groep gecontamineerd voer te eten. In de andere groepen werden naast enkel zinkbacitracine ook combinaties met apramycine en tiamuline uitgetest. Hetzelfde effect als in proef 1 werd waargenomen. De derde proef ging door in een ruimte die niet besmet was met EE en alle dieren kregen normaal voer. Hier was het globale sterftecijfer zeer laag (0,2 %) en kon geen verschil tussen de verschillende groepen worden aangetoond.' Deze experimenten wijzen op het belang van omgevingscontaminatie in het tot uiting komen van EE.

    K.
    Richard A., Remois G., Lafargue-Hauret P. : Effect of zinc-bacitracin on epizootic rabbit enterocolitis.

    Deze studie toonde eveneens
    het positief effect van zinkbacitracine voor de symptomatische behandeling van EE aan. In een bedrijf dat aangetast was door EE, kon het gebruik van zinkbacitracine aan een dosis van 100 ppm in het voeder de sterfte terugdringen van 21,4 % (controlegroep) tot 3,6 %. Bovendien verhoogde het afzetgewicht met gemiddeld 91 g.

    3. Geneesmiddelengebruik bij konijnen

    A.
    Anadon A., Martinez-Larraiïaga M.R. : The use of drugs in rabbit meat production. Benefits and risks.


    Konijnen behoren als productiedieren tot de zogenaamde "minor species". Geneesmiddelen en voederadditieven zijn heden ten dage van kritiek belang voor de vleesproductie. Antimicrobiële agentia worden om 3 voorname redenen gebruikt in de konijnensector: behandeling van een duidelijke ziekte, prophylaxis (om een ziekte te voorkomen) en als prestatieverbeteraars (om de voederconversie, de groei of de opbrengst te verbeteren). Als groeipromotoren worden zij aan een lage, als behandeling aan een hogere dosis gebruikt. Om infecties te behandelen zijn er slechts weinig geneesmiddelen geregistreerd voor konijnen. De reden hiervoor is dat het voor de farmaceutische firma's meestal te veel kost om ze te ontwikkelen, zelfs wanneer het actieve bestanddeel reeds op de markt is voor "major species". Vaak is de enige mogelijkheid voor behandeling het gebruik van niet-geregistreerde geneesmiddelen via het "cascadesysteem" van de EU, d.W.Z. dat indien geen afdoende geneesmiddel voor een bepaalde diersoort geregistreerd is, gebruik gemaakt mag worden van een geneesmiddel dat voor een andere diersoort van dezelfde klasse (vb. zoogdieren, vissen, vogels) geregistreerd is.
    Het is echter zo dat het dan bij een uitzondering moet blijven, en dat deze behandeling niet routinematig mag toegepast worden, enkel mag toegepast worden voor individuele dieren, en niet voor groepsbehandeling of wanneer de wachttijd niet gerespecteerd kan worden. Andere maatregelen om het probleem van beschikbaarheid van geneesmiddelen voor minor species op te lossen zijn: 1) de oprichting van een Europees "Orphan Drug Fund" om het vastleggen van Maximum Residu Levels (MRL's) voor medicijnen bij deze species te bevorderen en 2) de aanpassing van de EU-richtlijn 90/2377/EEC om de bedrijven die investeerden in residustudies voor een bepaald geneesmiddel, te beschermen.
    De geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik worden binnen de EU in drie annexen onderverdeeld: annex I: volledige MRL's van het geneesmiddel zijn bekend, annex 11: er zijn geen MRL's noodzakelijk voor de gezondheid van de consument, annex 111: een tijdelijke MRL met een bepaalde vervaldatum is toegekend aan het geneesmiddel (bedoeling is binnen die tijd een volledige MRL voor het geneesmiddel te bekomen). In annex IV zijn geneesmiddelen opgenomen die schadelijk zijn voor de gezondheid van de consument en bijgevolg verboden zijn. Ook geneesmiddelen waarover onvoldoende gegevens, bv. wat betreft MRL's, bekend zijn, worden aan deze annex toegewezen.
    De anatomie en fysiologie van het spijsverteringsstelsel van konijnen, voornamelijk het fenomeen van de coprofagie, hebben een duidelijk effect op de opname in het bloed en de metabole afbraak van geneesmiddelen bij het konijn. Daarom is het belangrijk om een "wachttijd" (voor slachten) na het toedienen van geneesmiddelen aan konijnen te bepalen. De redenen waarom zoveel aandacht wordt besteed aan het geneesmiddelengebruik bij konijnen (en andere diersoorten) zijn de volgende: 1) bezorgdheid van de consument omwille van "lichaamsvreemde" stoffen in het voedsel en 2) de mogelijke ontwikkeling van resistentie bij bacteriën aan bepaalde antibiotica door overmatig gebruik, mogelijk kan deze resistentie ook worden overgedragen naar kiemen die bij de mens ziekte veroorzaken en aldus niet meer met het betreffende antibioticum kunnen behandeld worden. Er zijn reeds meerdere gevallen beschreven van bacteriën die aan geen enkel antibioticum meer gevoelig zijn.
    In Europa bepalen autoriteiten de dosering, toedieningswijze, behandelingduur, wachttijd en MRL van geneesmiddelen, om het veilig gebruik van behandelde dieren door de consument te verzekeren. De EU regelgeving voorkomt allergene, toxische en mogelijk toxische residuen in het voedsel.

    B.
    Coudert P., Zonnekeyn V. : The anticoccidial activity of cycostat 66G against coccidiosis in fattening rabbits.
    Cycostat 66G (robenidine hydrochloride 6,6 %) is in de EU sinds 1982 zeer wijd verspreid als coccidiostaticum en is nog steeds één van de meest gebruikte coccidiostatica in de commerciële konijnenhouderij. In deze studie onderzochten de auteurs opnieuw de werkingsactiviteit van Cycostat 66G. Het middel werd getest in 3 aparte infectieproeven bij jonge witte Nieuw-Zeelander konijnen die een infectiedosis toegediend kregen van 5000 oöcysten Eimeria magna en Eimeria media (proef 1), een dosis van ~OOO Eimeria f1avescens en Eimeria intestinalis (proef 2) en een infectie met 5000 of 50000 Eimeria stiedae (proef 3). Een niet-geïnfecteerde en onbehandelde groep en een geïnfecteerde onbehandelde groep dienden als controle. Bij darmcoccidiose infecties (proef 1 en 2) slaagde een continue medicatie van 66 ppm robenidine hydrochloride in het voeder erin om sterfte en diarree compleet te voorkomen. Bovendien werd in de niet-behandelde controlegroepen een duidelijke daling van de gemiddelde gewichtsaanzet gezien tijdens de kritische fase van de coccidiose-besmetting. Na infectie met Eimeria stiedae (Ievercoccidiose) werd geen sterfte of diarree, maar wel een daling van de gewichtsaanzet gezien bij niet-behandelde konijnen. Ook was de verhouding levergewichUkarkasgewicht hoger bij nietbehandelde groepen. Het aantal levers met uitgesproken letsels en de ernst van de letsels waren duidelijk lager bij behandelde dan bij niet-behandelde groepen. De resultaten van deze studie tonen de efficiëntie aan van Cycostat 66G, vooral tegen darmcoccidiose. Bij levercoccidiose konden de leverletsels echter niet volledig voorkomen doch wel gereduceerd worden.

    C.
    Maertens L., Van Herck A., Vandekerchove D., Coudert P" Zonnekeyn V. : The effect of cycostat 66G against intestinal coccidiosis in fattening rabbits.
    Deze studie toont ongeveer hetzelfde aan als de vorige. Hier werd enkel geïnfecteerd met de matig pathogene darmcoccidiën Eimeria magna en Eimeria media. Niet onbelangrijk is dat naast bescherming tegen verminderde gewichtsaanzet, diarree en sterfte, dè uitscheiding van oöcysten op dag 14 na infectie gedaald was met 99,2 % bij de behandelde dieren.

    D.
    Saggiorato M., Pradella G., Grilli G., Gallzzi D., Pisoni A. : Evaluation of tilmicosin in feed for the treatment of pasteurellosis in commercial rabbits.
    Tilmicosin is een semisynthetisch macrolide-antibioticum dat momenteel geregistreerd is voor diergeneeskundig gebruik bij runderen, varkens en pluimvee. Tilmicosin is voornamelijk effectief tegen Pasteurella multocida en Bordetella . bronchiseptica, twee bacteriën die een belangrijke oorzaak vormen voor ademhalingsstoornissen bij konijnen. Pasteurellose treedt vooral op in de speen- en afmestperiode.
    De voedsters vormen een constant reservoir voor de kiem, waardoor de jonge konijnen meestal besmet worden door het contact met hun moeder. In deze studie werden 96 gespeende konijnen die ademhalingsstoornissen vertoonden of een risico hadden om klinische pasteurellose te ontwikkelen, verdeeld in 2 groepen: 1) tilmicosin aan 200 ppm in het voeder gedurende 7 dagen en 2) oxytetracycline 400 ppm in het voeder gedurende 7 dagen.
    De groep behandeld met tilmicosin vertoonde significant minder klinische symptomen in vergelijking met de oxytetracycline-groep. Er werden geen verschillen opgemerkt voor wat betreft het lichaamsgewicht of de voederconversie aan het einde van het experiment.
    E.
    Pradella G., Saggiorato M., Orlando C., Grilli G. : Evaluation of apramycin administered in feed for the control of colibacillosis in commercial rabbits.
    Apramycine sulfaat is een breedspectrum aminoglycoside antibioticum dat momenteel geregistreerd is voor gebruik bij runderen, varkens en konijnen en zeer vaak gebruikt wordt voor behandeling en controle van colibacillose. E. eoli is de voornaamste oorzaak van sterfte op commerciële konijnenbedrijven, vnl. in de 2 eerste weken na het spenen. Bij konijnen voor het spenen is de sterfte zelfs nog hoger, en kan vaak het hele nest bezwijken. Deze veldstudie wilde de efficiëntie nagaan van apramycine voor de controle van colibacillose. Op een commercieel konijnen bedrijf met een geschiedenis van steeds terugkerende colibacillose-problemen, werden 544 gespeende konijnen van 35 dagen oud verdeeld in 3 groepen: 1) een groep die behandeld werd met apramycine 100 ppm in het voeder gedurende 10 dagen, 2) een groep behandelt met apramycine aan 50 ppm in het voeder gedurende 14 dagen en 3) een onbehandelde controlegroep. De beide behandelde groepen vertoonden een significant lager sterftecijfer vergeleken met de onbehandelde groep, maar . er werd geen verschil opgemerkt in lichaamsgewicht op het einde van het experiment.

    F.
    Pradella G., Saggiorato M., Bucci A. : Field experience on the use of injectable
    tilmicosin in rabbit does during post-partum period.

    Naast activiteit tegenover Pasteurella multoeida en Bordetella bronehiseptiea, vertoont tilmicosin ook werking tegenover Staphyloeoeeus aureus en tegenover E. eoU. Deze auteurs voerden een veldstudie uit om de veiligheid en de tolerantie van inspuiting van tilmicosin bij konijnen (subcutaan 10mg/kg), na te gaan. De resultaten van deze studie wijzen erop dat tilmicosin veilig kan gebruikt worden onder praktische omstandigheden en suggereren het als een alternatief voor andere injecteerbare geneesmiddelen in commerciële konijnenbedrijven.

    4. Staphylococcose bij konijnen
    A.
    Hermans K., De Herdt P., Devriese L.A., Godard C., Haesebrouck F.: Colonisation of rabbits with Staphylocoeeus aureus after experimental infection with high and low virulence strains.
    Staphylocoeeusaureus bacteriën komen bij verschillende diersoorten en bij de mens op de huid en slijmvliezen voor zonder dat ze problemen veroorzaken. Bij konijnen kan S. aureus huidabcessen, abcessen in inwendige organen, voetzoolproblemen en melkklierontsteking veroorzaken, wanneer kleine huidwonden geïnfecteerd worden. Dit leidt vaak tot slechte productieresultaten, onvruchtbaarheid en sterfte. Zoogkonijntjes kunnen sterven doordat de voedster geen melk meer geeft. Bij de mestkonijnen stijgt het aantal bij slachting afgekeurde dieren. Twee types van infectie kunnen bij het konijn onderscheiden worden. Bij het eerste type blijft de ziekte beperkt tot één of enkele konijnen op het bedrijf. Dit heeft weinig economisch belang en wordt veroorzaakt door laagvirulente S. aureus stammen. Bij het tweede type ontstaat een ernstig epidemisch verloop van de ziekte op het bedrijf. Dit leidt tot chronische problemen in de toom, waardoor geïnfecteerde konijnenbedrijven economisch niet meer rendabel zijn. Dit type wint de laatste jaren meer en meer aan belang en wordt veroorzaakt door hoogvirulente S. aureus stammen. Het grote probleem is dat er geen effectieve behandeling voorhanden is. Welke maatregelen men ook neemt: langdurige antibioticum behandelingen, desinfectie van de omgeving of afslachten van aangetaste en verdacht aangetaste konijnen, de problemen steken onvermijdelijk terug de kop op. Intrede van een hoogvirulente S. aureus stam in een bedrijf leidt er dus praktisch altijd toe dat de ganse toom wordt afgeslacht. Er is tot nu toe nog niet precies bekend hoe het komt dat hoogvirulente stammen meer ziekte veroorzaken dan laagvirulente. In deze studie werd aangetoond dat, na experimentele infectie van konijnen in de neus, de hoogvirulente stammen in staat waren om zich op het konijn te handhaven en te verspreiden over het lichaam (aangetoond tot 4 weken na de infectie), terwijl de laagvirulente stammen reeds drie dagen na de infectie praktisch volledig verdwenen waren. Dit wijst erop dat hoogvirulente stammen in staat zijn om zich vast te hechten en aanwezig te blijven bij het konijn, waardoor zij meer kans hebben om een wondinfectie te veroorzaken,
    B.
    Hermans K., Haesebrouck F., Vaneechoutte M., Devriese L.A., Godard C., De Herdt P.: Differentiation between high and low virulence Staphylococcus aureus strains from rabbits by randomly amplified polymorphic DNA (RAPD)-analysis.
    Randomly Amplified Polymorphic DNA (RAPD) typering is een techniek die gebruikt wordt voor het snel opsporen van verschillen in het erfelijk materiaal van bacteriën. Het doel van deze studie was om na te gaan of RAPD typering bruikbaar was voor het onderscheiden van hoogvirulente S. aureus stammen, die een ernstig ziekteverloop veroorzaken op konijnenbedrijven, en laagvirulente stammen van konijnen (zie hoger). In deze studies werden 53 S. aureus stammen van konijnen onderzocht. De konijnenbedrijven waar deze stammen geïsoleerd werden, waren gelokaliseerd in België, Nederland, Spanje en Engeland. Uit het onderzoek bleek dat alle stammen die ernstige ziekte veroorzaken op konijnenbedrijven, behoorden tot een welbepaald type na RAPD-typering (aangeduid als RAPD-patroon a). Bovendien vertoonde geen enkele van de stammen die geïsoleerd werden op konijnenbedrijven zonder chronische problemen van staphylococcose het RAPD patroon a. Aangezien de vroeger gebruikte typeringstechnieken praktisch zeer moeilijk te standaardiseren zijn en enkel toegepast kunnen worden in gespecialiseerde laboratoria, zou RAPO typering een snellere en een betrouwbare methode kunnen zijn om het onderscheid te maken tussen hoog- en laagvirulente S. aureus stammen bij konijnen. RAPO-typering is snel, efficiënt en relatief goedkoop, en is daarom geschikt voor gebruik als diagnostische test.

    5. Overige studies

    A.
    Nieddu D., Grilli G., Gelmetti Do, Gallazzi 0., Toccacieli S., Lavazza A. : Electron microsopy detection of viral agents in rabbits with enteropathy during the period 1982 - 1999 in Italy.

    Deze auteurs onderzochten het fenomeen "enteropathie" bij het konijn. Het ging hier niet om de hierboven beschreven epizoötische vorm, doch er werd gezocht naar mogelijke oorzaken van het optreden van enteropathie op individuele konijnenbedrijven van de periode 1982 Um 1999. Er wordt wel bij vermeld dat in de periode oktober 1995 - september 1996 een groot aantal Italiaanse bedrijven werd aangetast door het zogenaamde "mucoiede enteropathie caecale impactie" syndroom, waarvan ook konijnen in de studie werden opgenomen. Het is niet duidelijk of het hier gaat om EE, doch het lijkt er welop. De auteurs vonden virussen in 37 % van de gevallen. Van deze virussen werden er 42 % geïdentificeerd als rotavirussen, 25,6 % als corona-achtige virussen, 21 % als parvovirussen, en 10 % als entero-achtige virussen. In een aantal geval/en werden ook calici-, adeno- en reovirussen teruggeyonden. Verder werden verschillende bacteriën en parasieten aangetoond. De auteurs concluderen: 1) dat verschillende factoren samen verantwoordelijk zijn voor het "enteritis-complex" in de intensieve konijnenhouderij, waaronder E. eali, Clastridium, parasieten en virussen en 2) dat virussen, zoals rotavirus, normaal op zichzelf geen ernstige darmaandoeningen kunnen veroorzaken, maar dat door de hoge infectiedruk in de intensieve konijnenhouderij deze virussen en andere weinig pathogene agentiazoals parasieten (flagel/aten) een belangrijkere rol kunnen gaan spelen in darmproblemen bij konijnen, waarbij ze ook .. secundaire bacteriële infecties kunnen verergeren. Bovendien zou het mogelijk zijn dat door veranderingen in de darm (bijvoorbeeld door voederveranderingen) de virussen toch sterk zouden kunnen gaan vermeerderen en ziekte veroorzaken.

    B.
    Finazzi G., Cardeti G., Pacciarini M.L., Losio M., Tagliabue So: Characterization of strains of E. eali isolated from rabbits with enteritis in Lombardia and Emilia-Romagna during the triennium 1997-1999.
    Deze auteurs typeerden 500 in Italië geïsoleerde E. eali stammen en bepaalden of deze al dan niet toxines produceerden of het gen bezaten voor vasthechten aan de darmcel/en.

    C.
    Gracia E., Villa A., Fernandez A., Albizu I., Baselga R.: Respiratory and reproductive pathology in rabbits farms: prevalence of pathogens in lungs and uterus by immunocytochemistry.

    Deze studie toonde het voorkomen van pathogene agentia (bacteriën, virussen en parasieten) in longen en baarmoeder van konijnen aan met een techniek gebaseerd op antistoffen (immunoperoxidase) tegenover deze pathogenen, omdat ze vaak moeilijk gekweekt kunnen worden.

    D.
    Militaru M., Militaru D., Ciobotaru E., Dojana N., Dragan N., Ardeleanu C., Manolescu N., Pop A., Dinescu G., Fileru F.F.: Appendix in the rabbit. Morphology of development and reactivity under natural and experimental conditions.
    In deze studie werd het voorkomen van afweercellen in de appendix van het konijn, en hun rol in de immuniteit onderzocht.

    E.
    Saviotti M., Tamba M., Gallazzi D., Lavazza A.: Further data on the diffusion of Encephalitozoon cuniculi in Italian rabbitries.

    In dit onderzoek werd aangetoond dat Encephafitozoon cuniculi nog vaak voorkomt op industriële konijnenbedrijven in Italië, en dat een hoger voorkomen samenhangt met een minder goed management op het bedrijf.

    F.
    Urosevic M., Skandro M.: Clinical pathology of rabbits in intensive rabbit breeding in Yougoslavia .

    In een Joegoslavisch konijnenbedrijf werd de fokafdeling gedurende 18 maanden gevolgd voor ziekte. Het meest voorkomend was snot (meer dan 85 % van de ziektegevallen), gevolgd door darmaandoeningen (7 %).


  • 2000 Infectieziekten bij Konijnen deel 2